Back

Vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing omwille van ploegen- en nachtarbeid: een stand van zaken

 
NEWS

Vrijstelling doorstorting bedrijfsvoorheffing omwille van ploegen- en nachtarbeid: een stand van zaken

Luk Cassimon

Voor werknemers die ploegen- of nachtarbeid verrichten, kan de werkgever genieten van een vrijstelling tot doorstorting van de bedrijfsvoorheffing. Hiervoor moeten wel bepaalde voorwaarden voldaan zijn. Deze vrijstelling vormt momenteel het voorwerp van gerichte fiscale controles. Recent hebben zowel het hof van beroep Antwerpen als Bergen zich ook over deze vrijstelling uitgesproken. Tijd voor een stand van zaken.

 

 Ratio van de vrijstelling van de doorstortingsplicht

Sinds medio 2004 kunnen werkgevers wiens werknemers ploegen- of nachtarbeid verrichten, genieten van een vrijstelling tot doorstorting van de bedrijfsvoorheffing (275/5 WIB92). Dit houdt in dat de bedrijfsvoorheffing wel moet worden ingehouden, maar niet doorgestort aan de Schatkist. De vrijstelling bedraagt vandaag 22,8% van de bezoldiging van de werknemer voor de maand waarin er ploegen- of nachtarbeid werd verricht

De vrijstelling werd destijds ingevoerd als compensatie voor het feit dat deze werkgevers geconfronteerd worden met extra kosten (bijv. omdat er geen openbaar vervoer meer mogelijk is, extra kosten voor kinderopvang…).

De vrijstelling kent een ruim toepassingsgebied en is niet sectorgebonden. Maar er moeten wel bepaalde voorwaarden voldaan zijn opdat de vrijstelling kan worden toegepast. Een “ploeg” in de dagdagelijkse betekenis kwalificeert dus niet automatisch voor de vrijstelling.

 

Voorwaarden

De wet omschrijft een “onderneming waar ploegenarbeid wordt verricht” als:

  • Een onderneming waar het werk wordt verricht in minstens twee ploegen van minstens twee werknemers;
  • Die hetzelfde werk doen zowel qua inhoud als qua omvang;
  • Die elkaar in de loop van de dag opvolgen zonder dat er een onderbreking is tussen de opeenvolgende ploegen en zonder dat de overlapping meer bedraagt dan een vierde van hun dagtaak.

 

Daarnaast zal er sprake zijn van nachtarbeid indien:

  • De werknemers overeenkomstig de in de onderneming toepasselijke arbeidsregeling prestaties verrichten tussen 20 uur en 6 uur;
  • Met uitsluiting van de werknemers die enkel prestaties verrichten tussen 6 uur en 24 uur en de werknemers die gewoonlijk beginnen te werken vanaf 5 uur.

 

In beide gevallen moeten de werknemers ook een ploegenpremie toegekend krijgen en moeten zij minstens 1/3de van de arbeidstijd tijdens de betrokken maand in dit systeem hebben gewerkt.

De fiscus voert momenteel specifieke controles m.b.t. deze vrijstelling en interpreteert de voorwaarden zeer strikt. Zo ontstaat er niet zelden discussie omtrent de vereiste dat de ploegen hetzelfde werk moeten doen qua inhoud en omvang, de opvolging zonder onderbreking en de berekening van de 1/3de-regel.

 

Hetzelfde werk qua inhoud en omvang

Een vaak voorkomend discussiepunt betreft de vraag hoe dit vereiste moet worden geïnterpreteerd. Traditioneel neemt de fiscus het standpunt in dat de ploeg hetzelfde werk moet verrichten en dezelfde omvang moet kennen. De fiscus baseert zich hiervoor op een antwoord van de minister van Financiën op een parlementaire vraag van 2015.

Dit houdt in dat een orderpicker zou moeten worden opgevolgd door een andere orderpicker en de opeenvolgende ploegen uit hetzelfde aantal leden zou moeten bestaan. Zodra dit niet het geval is, zou niet langer voldaan zijn aan alle voorwaarden en zou de vrijstelling dus niet kunnen worden toegepast.

Het Antwerpse hof van beroep heeft zich recent uitgesproken over dit aspect. Hoewel uit een persbericht zou kunnen worden afgeleid dat het oordeel van het hof negatief zou zijn voor de belastingplichtigen, moet dit toch worden genuanceerd:

  • Het verrichte werk is van belang: de inhoud en omvang heeft betrekking op het werk dat moet worden verricht. Het is dus niet vereist dat de ploeg dezelfde omvang heeft. Hoe dit moeten worden beoordeeld, wordt dan weer niet bepaald in de wetgeving. De belastingplichtige kan dus zelf één of meerdere criteria naar voor schuiven (arbeidsduur, aantal interventies of prestaties…). Dit betekent wel niet dat de fiscus of later de rechtbank deze criteria zou aanvaarden. Belastingplichtigen doen er goed aan om dit aspect duidelijk te documenteren;

 

  • Vergelijkbaar: daarnaast is het niet vereist dat het werk dat door de ploegen wordt verricht identiek is, maar volstaat het dat dit vergelijkbaar is. Beperkte verschillen vormen dus geen beletsel om de vrijstelling toe te passen. Een ploeg van 20 leden moet dus niet per se opgevolgd worden door een andere ploeg van 20 leden. Deze beoordeling zal steeds afhankelijk zijn van de concrete feiten. In het arrest m.b.t. een onderaannemer van “de Lijn” aanvaardde men bijvoorbeeld een verschil van 1u arbeidstijd, maar was 3u verschil dan weer te veel. De vraag blijft evenwel nog steeds wanneer het werk niet vergelijkbaar zal zijn. Is dit het geval wanneer er een verschil is van 2u? De rechtsonzekerheid blijft op dit punt dus nog steeds bestaan.

 

De vraag kan ook gesteld worden of dit criterium wel pertinent is. De achterliggende idee van de vrijstelling bestaat erin om een compensatie te voorzien voor extra kosten van werkgevers waarvan de werknemers ploegen- of nachtarbeid verrichten. Een onderneming waar opeenvolgende ploegen niet hetzelfde werk qua omvang zouden verrichten, zou uitgesloten zijn van de vrijstelling. Nochtans wordt deze onderneming ook geconfronteerd met voormelde extra kosten. Dit onderscheid in behandeling wordt echter niet verantwoord, zodat het gelijkheidsbeginsel mogelijks wordt geschonden. 

 

Opvolging zonder onderbreking

Daarnaast moeten de ploegen worden opgevolgd zonder onderbreking. Het Antwerpse hof heeft in de arresten meermaals benadrukt dat de continuïteit van het werk moet worden gegarandeerd. Dit is dus een belangrijke voorwaarde.

Ondernemingen doen er dan ook goed aan om te verifiëren of deze contiuïteit inderdaad wordt gegarandeerd. Is er toch een beperkte onderbreking, is het eventueel aangewezen om het ploegensysteem aan te passen.

Maar zelfs al is er een beperkte onderbreking tussen de opeenvolgende ploegen, kan opnieuw de vraag gesteld worden naar de verantwoording voor dit onderscheid in behandeling en een mogelijke schending van het gelijkheidsbeginsel.

 

Berekening van de 1/3de-regel

Tot slot moet de werknemer minstens 1/3de van de arbeidstijd ploegen- of nachtarbeid hebben verricht. Hoe moet dit vereiste worden beoordeeld?

Traditioneel stelde de fiscus dat de werkgever dit zowel op dagbasis als op uurbasis mag beoordelen. Maar men moet wel consequent in de keuze zijn.

Het hof van beroep Bergen heeft in een recent arrest evenwel geoordeeld dat dit vereiste op uurbasis moet worden bekeken (Bergen 21 oktober 2020, www.taxwin.be). De zienswijze van de fiscus dat dit ook op dagbasis mag worden bekeken, vindt geen steun in de wet.

 

Besluit

De vrijstelling van doorstorting van de bedrijfsvoorheffing voor ploegen- en nachtarbeid blijft voor discussies zorgen en doet enkele principiële vragen rijzen.

Ondernemingen die deze vrijstelling toepassen, doen er goed aan om te verifiëren of alle fiscale voorwaarden voldaan zijn en dit voldoende te documenteren. Deze bewijsstukken kunnen dan bij een latere controle worden voorgelegd. 

Monard Law kan u steeds bijstaan bij deze oefening en een risicoanalyse maken van het geldende systeem van ploegenarbeid. Daarnaast begeleiden wij u ook bij een eventuele controle. Voor vragen kan u steeds Luk Cassimon (luk.cassimon@monardlaw.be of 03/286.79.40) contacteren of uw gewoonlijke contactpersoon.

Questions about this article? Ask our specialists